
Shini Somara strijdt voor een diversere ingenieurswereld
Na haar promotie groeide werktuigbouwer Shini Somara in Groot-Brittannië en daarbuiten uit tot populair ambassadeur van de techniek. ‘Ingenieurs móeten veel vaker hun verhaal vertellen. Ze zijn vindingrijk en creatief.’
De Britse werktuigbouwkundig ingenieur Shini Somara beschikt over het zeldzame talent complexe technologie toegankelijk te kunen maken voor een breed publiek. Met een achtergrond in de numerieke stromingsleer groeide ze uit tot mediapersoonlijkheid. Ze presenteerde de zeer populair YouTubeserie Crash Course Engineering en schreef een techniekboek dat verplichte kost is voor alle Britse schoolkinderen.
In november was Somara een van de hoofdsprekers op de jaarlijkse Innovatieconferentie van de Netherlands Academy of Engineering (NAE) in Amersfoort. ‘Toen ik als pas gepromoveerd ingenieur om me heen keek in de technieksector, zag ik niemand die er uitzag zoals ik. Het voelde alsof ik ondanks al mijn kwalificaties niet in deze wereld thuishoorde.’
In Nederland worstelen we enorm met een tekort aan technisch personeel. Is de situatie in Groot-Brittannië beter?
‘Nee, dat kan ik echt niet zeggen. Ook bij ons zijn er talloze initiatieven geweest om bijvoorbeeld meer vrouwen of mensen uit etnische minderheden aan te trekken, maar al met al heeft dat allemaal nauwelijks wat opgeleverd. Dat is de harde waarheid.’
Waar gaat het mis?
‘Al heel vroeg. Ik geloof dat elk jong kind nieuwsgierig is, dingen wil oplossen. Iedereen wordt geboren als ingenieur of wetenschapper. Maar hoewel we die eigenschappen voortdurend zouden moeten stimuleren, doen we juist het tegendeel: ergens op school leren we kinderen die vaardigheden en instelling juist af. Op school is nauwelijks aandacht voor techniek.’
Waarom koos u zelf ooit voor de techniek?
‘Dat is te danken aan mijn vader, ook werktuigbouwkundig ingenieur. Ik twijfelde er niet aan dat ik in zijn voetsporen zou treden. Uiteindelijk koos ik voor vloeistofdynamica. Acht jaar lang ging ik daar volledig in op, ik was zo enthousiast. Maar toen ik na mijn promotie in de techniek ging werken, zag ik om me heen niemand die er uit zag zoals ik. Dat voelde niet goed. Het voelde alsof ik ondanks al mijn kwalificaties niet helemaal in deze wereld thuishoorde, er niet mocht zijn. Dat besef is uiteindelijk mijn drijfveer geworden: ik wil niet dat jonge ingenieurs uit groepen die niet voldoende zijn vertegenwoordigd in de ingenieurswereld, zich zo voelen als ik.’
Heeft de maatschappij wel het goede beeld van wat ingenieurs zijn?
‘Absoluut niet. Het beeld bestaat dat we wandelende rekenmachines zijn, een soort robots die alleen maar bezig zijn met wiskunde en fysica. Niemand lijkt te beseffen dat we juist worden gedreven door de wil om levens beter te maken. We zijn creatief en vindingrijk. Doordat we dat te weinig uitdragen. blijft het beroep ongrijpbaar. Ingenieurs moeten veel vaker hun verhaal vertellen.’

Is dat ook de reden dat u de overstap naar de media maakte?
‘Engineering moet niet alleen voor experts zijn. Daarom zocht ik een platform met een zo groot mogelijk bereik. Als vloeistofdynamica-expert hield ik me bezig met de gebouwde omgeving. Het minst sexy onderdeel van de techniek, tot het door corona ineens in het middelpunt van de belangstelling belandde. Hoe bewegen luchtdeeltjes zich? Ik onderzocht de stromingsleer rond orkesten.
Hoe verplaatst lucht zich uit een trombone of een trompet? Wat betekent dat voor ventilatie? Het resultaat was dat orkesten hun opstelling konden aanpassen en uiteindelijk weer konden spelen. Dergelijk ingenieurswerk verbindt technologie met echte mensen. Zulke verhalen blijven hangen.’
Waarom lukt het niet om zulke verhalen veel vaker te vertellen?
‘Als ingenieurs hebben we de wereld opgedeeld in silo’s. Waterbouwkundigen praten met waterbouwkundigen, elektrotechnici met elektrotechnici. Maar ondertussen is de wereld een systeem waarin alles met elkaar is verbonden. Innovatie ontstaat wanneer disciplines elkaar begrijpen. Moderne engineering vereist daarom zeker ook sociale intelligentie, het vermogen om verbindingen te leggen.’
In uw keynote op het NAE-symposium verwees u naar de Tweede Wereldoorlog, toen vrouwen ineens technische rollen moesten vervullen. Wat maakt hun verhaal relevant vandaag de dag?
‘Omdat het aantoont dat talent overal zit. Veel van die vrouwen hadden geen technische opleiding. Ze waren huisvrouw, secretaresse of meubelstoffeerder. Uit noodzaak leerden ze complexe technische taken: radioapparatuur bedienen, spoelen wikkelen, codes helpen ontcijferen. Ze moesten wel, dus ze rolden hun mouwen op en gingen aan de slag. Zo leverden ze een cruciale bijdrage. Toch keerden ze na de oorlog geruisloos terug in hun traditionele rol. Niet omdat ze het niet konden, maar omdat het systeem hen niet welkom heette. De van het front teruggekeerde mannen eisten hun engineering-rollen weer op. Dat mag nooit meer gebeuren.’
Houdt uw pleidooi voor meer diversiteit hiermee verband?
‘Ikzelf heb me jarenlang een soort van bedrieger gevoeld, omdat ik ‘anders’ was dan andere ingenieurs. Het duurde even voor ik besefte dat daarin juist mijn kracht schuilt. De inspirerendste verhalen in mijn boek Engineers Making a Difference kwamen juist van mensen die via een omweg de techniek in waren gerold, die juist niet de gebaande paden hadden gevolgd. Diversiteit maakt de ingenieurswereld rijker en creatiever.’






