De relatief dikke laag sneeuw die Nederland begin januari bedekte, deed verschillende daken instorten. De veiligheidsnorm voor dakbelasting is krap, waardoor complicaties funest kunnen zijn.

Voor liefhebbers van sneeuw is het jaar 2026 goed begonnen. De eerste anderhalve week raakte het land bedekt onder een sneeuwlaag, met op sommige plekken een dikte tussen twintig en dertig centimeter. Dat is bovengemiddeld, maar komt in Nederland vaker voor.

Toch bleken niet alle gebouwen bestand tegen deze hoeveelheid sneeuw. Op 3 januari bezweek het tentdak van een ijsbaan in Vught, op 7 januari stortte sportcomplex Hal 22 in Utrecht (deels) in, en op 8 januari het dak van een transportbedrijf in Zaltbommel en een rundveestal in Hilversum. Andere sporthallen, IKEA-winkels en gebouwen met platte daken maakten hun daken vervolgens sneeuwvrij en hielden hun deuren uit voorzorg gesloten. Kennelijk zijn niet alle Nederlandse gebouwen in staat om een laag sneeuw te kunnen dragen. Maar waarom eigenlijk niet?

Normen

Elk gebouw in Nederland moet volgens Europees vastgestelde normen berekend zijn op een sneeuwdikte van 35 centimeter op de grond. Dat is een draaglast van zeventig kilo per vierkante meter, uitgaande van sneeuw die tweehonderd kilo per kubieke meter weegt (zie kader: Sneeuwgewicht).

Voor daken wordt dit gereduceerd met een ‘vormfactor’, die voor platte en licht hellende daken 0,8 bedraagt. Dit omdat op daken doorgaans minder sneeuw blijft liggen dan op de grond, vanwege onder andere verwaaiing en  smelt door de warmte van het gebouw – hoewel dat laatste afneemt naarmate huizen beter zijn geïsoleerd.

Elk gebouw met een plat dak – en elk industrieel gebouw – moet dus een maximale belasting aankunnen van 56 kilo per vierkante meter. Dat is 28 centimeter van de bovengenoemde sneeuw, of 56 centimeter kakelverse poedersneeuw. Voor het sneeuwdek van begin januari zou dit afdoende moeten zijn.

Complicaties

In de realiteit zijn er echter altijd complicaties waarmee de theorie geen rekening heeft gehouden, zoals te lezen valt in een rapport uit 2005 van VROM, het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het jaar 2005 was de vorige keer dat er zoveel sneeuw viel, en ook toen bezweken er gebouwen onder de last.

Bij een fout in de uitvoering of later opgelopen schade aan een constructie kan het sneeuwpak dat net onder de berekende draagkracht zit toch te zwaar zijn voor het dak, staat in dit rapport. Daken die nét bij de grens zitten die de norm aangeeft, bezwijken dan.

Ook kan het zijn dat het effect van het dak op de dikte van de sneeuwlaag is overschat. Sneeuw smelt weliswaar deels door de warmte van een gebouw, maar het smeltwater kan vervolgens soms niet (snel) weg wegens dichtgevroren afvoerpijpen, of doordat het blijft ‘hangen’ in de sneeuwkristallen.

Ophoping

De focus op goedkoop bouwen speelt de sector parten, denkt Rob Nijsse, emeritus hoogleraar Structural Design aan de TU Delft. Net op de grens gaan zitten is strategie, terwijl er bekende factoren zijn die de dakbelasting verhogen, zoals lichtkoepels, muurtjes en zonnepanelen. Die hebben zelf gewicht, maar maken ook dat sneeuw zich op bepaalde plekken ophoopt.

Een ander bekend probleem is de doorbuiging van daken onder het gewicht van de sneeuw. Daarbij ontstaat een brede, ondiepe kuil, waarin de sneeuw en het smeltwater zich ophopen. Dat veroorzaakt een steeds groter gewicht, dus een steeds diepere kuil.

Bij een dak met een helling van slechts een paar graden verhindert zo’n doorbuiging van het dak de afstroom van smeltwater al. ‘Vaak is dit wel meegenomen in de berekeningen, maar gaat er toch iets mis in de uitvoering’, zegt Nijsse. ‘Als de berekening aangeeft dat het dak vijf graden moet hellen, en het worden er uiteindelijk drie, heb je al een probleem.’

Strengere normen?

De vraag die rest: moeten de normen niet strenger, als bouwen op de grens ervan instortende daken veroorzaakt? Het sneeuwdek van 35 centimeter waarop de norm is gebaseerd, wordt gemiddeld eens in de achttien jaar gemeten in minstens één van de ruim driehonderd KNMI-neerslagstations, zegt Peter Siegmund, klimaatexpert bij het KNMI. Inclusief een correctie voor klimaatverandering schat hij de herhalingstijd in op 35 jaar, al zit in die klimaatcorrectie wel een grote onzekerheid.

De sneeuwlaag van januari 2026 was op veel plaatsen tussen 20 en 30 centimeter dik.

Toch ziet Nijsse geen reden voor strengere normen. ‘Wel voor een adequate Wet Kwaliteitsborging, en strenge controle op berekeningen, tekeningen en uitvoering’, mailt hij. ‘Daarmee is 80 procent van de huidige instortingen te voorkomen.’ De overige 20 procent ligt volgens Nijsse aan geblokkeerde regenafvoeren en dakoverlaten. ‘En dat is de verantwoordelijkheid van de gebouweigenaar.’

Openingsbeeld: Depositphotos