Nederland is, net als veel andere Europese landen, sterk afhankelijk van digitale producten van Amerikaanse bedrijven. Dat maakt ons kwetsbaar.

Veel van de software die Nederlandse burgers, overheden en bedrijven gebruiken, komt van Amerikaanse bedrijven. Dat leek nooit een probleem, maar met de nieuwe opstelling van het land onder president Donald Trump worden we ons ineens bewust van kwetsbaarheden. Hoe is het eigenlijk gesteld met de bescherming van persoonlijke gegevens op Amerikaanse servers? Kunnen die bedrijven de dienstverlening staken? Zijn we überhaupt niet te afhankelijk van maar een paar grote techbedrijven? Die afhankelijkheid alleen al maakt ons immers kwetsbaar, nog los van geopolitieke ontwikkelingen.

Weerbaarheid

Dat heeft ook de Rijksoverheid geconstateerd. In de ‘Nederlandse Digitaliseringsstrategie’, die september 2024 werd gelanceerd, is één van de zes pijlers het ‘versterken van digitale weerbaarheid en autonomie van de overheid’. 

Waarom is het belangrijk om te streven naar meer digitale autonomie? ‘We maken vaak gebruik van systemen van een klein aantal bedrijven en dat brengt risico’s met zich mee’, mailt Marcus Polman, woordvoerder Digitalisering van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. ‘Bijvoorbeeld als een leverancier stopt, wordt overgenomen of onder politieke druk komt te staan.’ 

Die voorbeelden zijn niet denkbeeldig. De baas van het Internationaal Strafhof in Den Haag werd onder Amerikaanse sancties afgesloten van zijn Microsoft-mailservice. Naar aanleiding daarvan maakt het strafhof nu de overstap naar software van het Duitse openDesk.

Daarom werkt de Rijksoverheid aan meer digitale autonomie: kritieke systemen en data zelf beheren, zonder ongewenste afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, zegt Polman. ‘Onze systemen zijn door de jaren heen gegroeid en sterk met elkaar verbonden geraakt. Ze zomaar vervangen kan een risico voor de dienstverlening en de veiligheid opleveren.’

Om risico’s te verminderen, neemt de overheid een aantal stappen, zegt Polman. ‘We kiezen voor strengere regels voor veilige opslag van overheidsdata. We gaan slimmer inkopen door niet afhankelijk te zijn van één leverancier. En ten slotte werken we samen in Europa aan het ontwikkelen van veilige en betrouwbare alternatieven.

Dat laatste is nu nog in opbouw, maar is essentieel voor de toekomst.’ Hierbij staan open standaarden, technologische innovatie en samenwerking binnen Nederland en Europa centraal. Zo werken het Franse LaSuite, openDesk en het Nederlandse MijnBureau samen aan soevereine open source kantoorsoftware, vertelt Polman. ‘Dat wordt een waaier van programma’s die je in je dagelijkse werk kunt gebruiken, bijvoorbeeld voor videobellen.’

DigiD draait op een Nederlands platform. Een Amerikaanse multinational wil dat overnemen. Foto: Shutterstock

Soevereine cloud

Op het gebied van digitalisering probeert de Nederlandse overheid te leren van wat andere Europese landen doen. Zo deed in 2025 een afvaardiging van verschillende overheidsorganisaties inspiratie op bij de Britse overheid voor het ontwikkelen van nieuwe en betere ICT-dienstverlening. En demissionair staatssecretaris Eddie van Marum, met digitalisering in portefeuille, bracht vorig jaar een bezoek aan Luxemburg, dat een ‘soevereine cloud-oplossing’ ontwikkelde. Dit is een inspiratiebron voor de soevereine cloud-voorzieningen die Nederland wil ontwikkelen, zegt woordvoerder Polman.

Digitale autonomie betekent ook dat de overheid kan kiezen ‘welke technologie we gebruiken en dat we kunnen overstappen als een leverancier uitvalt of niet aan de eisen voldoet’, aldus de Rijksoverheid onlangs in een webbericht over de eigen visie op autonomie. ‘Het is bovendien belangrijk dat de overheid grip heeft op de digitale infrastructuur waarvan ze met diensten en producten gebruikmaakt. Zodat de meest gevoelige data onder Nederlandse of Europese wetgeving vallen en publieke waarden als privacy, veiligheid en democratie blijven gewaarborgd.’ Dit laatste heet digitale soevereiniteit.

AI-fabrieken

Ook op het gebied van kunstmatige intelligentie (AI) wil Europa beter voor zichzelf kunnen zorgen. Veel van de succesvolste AI-bedrijven – in de betekenis van ‘vooruitgang boeken’, want winst maken ze zelden – komen uit de Verenigde Staten en China. Die afhankelijkheid maakt kwetsbaar. ‘Het is zorgelijk als Europa met het toepassen van AI gaat achterlopen bij landen als China en de VS’, zei Marc Zegveld, directeur ICT, Strategie en Beleid bij TNO, eerder tegen De Ingenieur. ‘Nederland en Europa moeten een eigen positie vinden om met AI het verdienvermogen en de kwaliteit van leven te versterken; zowel vanuit het perspectief van strategische autonomie, als vanuit geopolitiek perspectief. Ik ben ervan overtuigd dat we de concurrentie in een aantal niches aankunnen.’

Europa legt dan ook een AI-infrastructuur aan. Enkele landen werken aan zogeheten AI-fabrieken. In Groningen komt er een te staan die zal bestaan uit een supercomputer, een datacenter voor gegevens opslag en een centrum voor innovatie, waar onderzoekers, bedrijven en de overheid samen aan projecten werken en kennis delen.

Autonomie op AI-gebied is voor Europa om nóg een reden wenselijk: vanwege de waarden die we belangrijk vinden, zoals privacy, transparantie en gelijkwaardige behandeling. Dergelijke waarden, waaraan algoritmen uit China en de VS vaak niet voldoen, liggen zoveel mogelijk verankerd in wetgeving, zoals de AI Act van de EU. Waar in China de overheid dicteert en in de Verenigde Staten ondernemingen bepalend zijn, hanteert Europa de keuzemogelijkheid van de burger als uitgangspunt. ‘Er is een school die zegt dat dit soort regelgeving innovatie belemmert. Maar de keerzijde is dat als je de regels volledig vrij laat, de kapitaalkrachtigste partij wint of het bedrijf dat eerste met iets kwam’, zegt Zegveld. Door vanuit de EU privacyvriendelijke, verantwoorde en veilige AI te ontwikkelen, hebben bedrijven, burgers en over heden in ieder geval iets te kiezen.

Openingsbeeld: Shutterstock