Een groot deel van de bevolking vindt de manier waarop ons land de verduurzaming vormgeeft niet eerlijk en weigert daarom nog langer mee te doen. De noodzakelijke vergroening dreigt daardoor vast te lopen, stelt de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) in een recent verschenen advies. De opstellers roepen de overheid op het beleid om te gooien en veel meer in gesprek te gaan met burgers.

Mag je ineens niet meer met je oude dieselauto de stad in, terwijl verderop de vervuilende industrie gewoon doordraait, en de rijkere buurtbewoners die toch al makkelijk een elektrische bolide kunnen aanschaffen daar ook nog eens een forse subsidie voor krijgen. Dat is niet eerlijk, vindt een groeiende groep burgers.

Het gevolg: ze doen niet langer hun best om bij te dragen aan de verduurzaming. Het noodzakelijke, maatschappelijke draagvlak verdwijnt. ‘Henk en Ingrid hadden misschien wel gewoon gelijk’, zegt raadslid en commissievoorzitter André van der Zande, verwijzend naar het fictieve stel dat in de politiek vaak fungeert als representant van de kansarmere burgers. Eerlijkheid blijken we als waarde of deugd hoger in te schalen dan duurzaamheid. ‘We zijn liever eerlijk onduurzaam dan oneerlijk duurzaam.’

Driedubbele oneerlijkheid

Volgens Van der Zande zijn het meerdere fouten in het beleid die het draagvlak ondermijnen.  In het begin deze maand verschenen advies 'Eerlijk verduurzamen' onderscheidt de Rli drie vormen van oneerlijkheid die elkaar versterken.

Allereerst is er de ongelijke verdeling van milieuschade. Geluidsoverlast, luchtvervuiling en slecht geïsoleerde, vochtige woningen treffen bovengemiddeld vaak mensen met een lagere sociaaleconomische positie. ‘Die zaken los je niet op door milieubeleid maar even te pauzeren’, zegt Van der Zande.

De tweede vorm van oneerlijkheid zit in de prijsprikkels waaruit het beleid grotendeels bestaat. Hogere energieprijzen, brandstofaccijnzen en milieutoeslagen raken mensen met lagere inkomens harder, simpelweg omdat deze kosten een groter deel van hun bestedingsruimte opslokken. Vooral de energiecrisis maakte dat effect pijnlijk zichtbaar. ‘Die crisis had niets met klimaatbeleid te maken, maar liet wel zien hoe kwetsbaar grote groepen zijn.’

De derde vorm van oneerlijkheid is misschien wel de meest zichtbare: subsidies en steunmaatregelen komen onevenredig vaak terecht bij midden- en hogere inkomens en grote bedrijven. De Tesla-subsidie is daarvan het symbool geworden. Van der Zande: ‘Niet omdat die slecht was bedoeld, maar omdat de uitwerking scheef is.’

André van de Zande (links), Rli-raadslid en voorzitter van de commissie, en Jan Jacob van Dijk, Rli-voorzitter (rechts) boden het advies 'Eerlijk verduurzamen' eerder deze maand aan aan staatssecretaris Participatie en Integratie Jurgen Nobel en minister Sophie Hermans van Klimaat en Groene Groei.

Geen perceptieprobleem 

Vaak wordt gewezen op beeldvorming: kansarmere burgers zouden vooral denken dat het beleid oneerlijk is. De Rli verwerpt die veronderstelling. ‘Als je erin prikt, blijken de cijfers het gevoel te bevestigen’, zegt Van der Zande. De rijkste 1 procent van de inkomens is verantwoordelijk voor ongeveer 40 procent van de milieuschade. Tegelijkertijd belandt een groot deel van de subsidies bij partijen die die steun het minst nodig hebben. ‘Dan is het geen perceptie meer.’

Jarenlang was rechtvaardigheid richting toekomstige generaties dominant in het beleid. Dat perspectief verklaarde de nadruk op snelheid en kosteneffectiviteit: zoveel mogelijk CO₂-reductie per euro. ‘Dat was te verdedigen,’ zegt Van der Zande. ‘Maar rechtvaardigheid voor andere groepen raakte daardoor ondergesneeuwd. Die rekening komt nu terug.’

Dat wordt zichtbaar in de maatschappelijke prioriteiten. Waar ‘klimaat’ enkele jaren geleden hoog op de agenda stond en door de meeste mensen belangrijk werd gevonden, daar is het draagvlak voor strenger klimaatbeleid nu goeddeels verdwenen. Beleidsdossiers lopen vast, omdat er zonder actieve deelname van burgers en kleine ondernemers niets terechtkomt van de doelstellingen.

‘We zijn liever eerlijk onduurzaam dan oneerlijk duurzaam.’

André van der Zandecommissievoorzitter Raad voor de leefomgeving en infrastructuur

Perfectie bestaat niet

De raad vraagt niet om een utopisch systeem van volledige rechtvaardigheid voor iedereen. ‘Perfectie bestaat niet en hoeft ook niet’, zegt Van der Zande. ‘Maar we zien nu dat beleid vastloopt doordat grote groepen niet meer kunnen of willen meedoen.’ Daarbij gaat het niet alleen om mensen die de middelen missen, maar ook om degenen die wel kunnen, maar hun eigen bijdrage structureel overschatten. ‘De midden- en hogere inkomens hebben een veel grotere ecologische voetafdruk dan ze denken. De vervuiler betaalt vaak te weinig, terwijl men het idee heeft dat de sterkste schouders al genoeg dragen.’

Dat spanningsveld wordt volgens de Rli onvoldoende onderkend in Den Haag. Beleidsmakers denken nog te vaak in termen van de zelfredzame, calculerende burger. Onderzoek van Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en het Sociaal Cultureel Planbureau maakte enkele jaren geleden al duidelijk dat dit voor grote delen van de bevolking niet klopt.

Beter ontwerpen

Een belangrijk deel van de aanbevelingen richt zich daarom op het ontwerpproces van beleid. In theorie moeten ministers bij nieuw beleid de sociale en sociaaleconomische effecten in kaart brengen. In de praktijk gebeurt dat zelden. ‘In minder dan 20 procent van de beleidsvoorstellen op dit gebied is dat echt gedaan’, zegt Van der Zande. ‘En vaak blijft het bij een nietszeggend vinkje.’

De Rli pleit voor structureel gesprek met de mensen om wie het gaat, al in de ontwerpfase van nieuw beleid. Dat gebeurt lokaal vaak al beter dan op landelijk niveau, maar gemeenten kampen met capaciteitstekorten. Tegelijkertijd heeft het Rijk de onhebbelijke gewoonte om het soms moeizaam bereikte lokale draagvlak ineens zwaar op de proef te stellen, bijvoorbeeld door op het laatste moment toch te weer gaan sleutelen aan milieuafspraken of -regels. ‘Dan krijg je een onbetrouwbare overheid, terwijl er lokaal juist consensus was bereikt’, zegt Van der Zande.

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) adviseert regering en parlement op het domein van de fysieke leefomgeving, gevraagd en ongevraagd. De regering hoeft adviezen van de raad niet over te nemen, maar moet er wel binnen een bepaalde termijn inhoudelijk op reageren.

Standaard een hybride warmtepomp

De Rli zet ook in op normering. Maak de duurzame keuze de standaard, moet het uitgangspunt worden. Van der Zande neemt de hybride warmtepomp als voorbeeld. ‘Als je vanaf een bepaald moment zegt: bij vervanging van de cv-ketel komt er standaard een hybride, dan help je mensen die het niet zelf kunnen én dwing je degenen die het wel kunnen maar het niet doen.’

Die opgelegde verplichting tot duurzamer gedrag is volgens hem niet betuttelend. ‘We accepteren ook dat auto’s aan veiligheidseisen moeten voldoen en dat je een gordel draagt. Klimaatverandering is een collectief probleem. Daar hoort normering bij, mits je de koopkrachteffecten goed opvangt.’

Denkwijze

Het advies maakt korte metten met het idee dat eerlijk verduurzamen onbetaalbaar is. ‘Het is geen geldprobleem, maar een denkwijze’, stelt Van der Zande. Structurele aanpak van energiearmoede zou volgens schattingen enkele honderden miljoenen kosten – bedragen die in schril contrast staan met de miljarden die naar de verduurzaming van grote industriële spelers gaan. ‘Dat zijn politieke keuzen.’

De kernboodschap van de raad is dan ook helder: iedereen die wil meedoen, moet kunnen meedoen. En wie kan meedoen, moet dat ook doen. Anders kan de verduurzaming technisch nog zo succesvol zijn, maar zal ze maatschappelijk stranden.

Foto boven: buurt in Haarlem. Credit: Depositphotos