Vliegtuigen en ik waren niet voor elkaar bestemd, schrijft columnist Marcel Möring. 

Harry had een klus in de buurt en kwam daarna langs voor koffie. Toen ik met de kopjes aankwam, stond hij naar de drone te kijken.

‘Wat moet een schrijver met een drone?’, zei hij.

Ik had een plan ontwikkeld voor een YouTube-
serie, die ik volgend jaar zou maken. De drone was niets meer dan een camera die mij kon filmen, zodat ik niet de hele tijd met een selfiestick hoefde rond te lopen.

‘Je hebt verder niemand nodig’, zei ik. ‘En dit ding is bovendien goedkoper dan een camera.’

De drone is iets groter dan mijn hand en is trouw als een digitaal hondje. Je zegt waar hij heen moet en wat hij moet filmen en dat doet hij dan.

Ik gaf een demonstratie in de woonkamer waarbij de drone een bocht om mij heen beschreef en daarna op de door mij aangewezen plek bleef stilhangen.

‘Het is onvoorstelbaar dat Jan en alleman over dit soort middelen kan beschikken’, zei Harry.

Het is inderdaad snel gegaan. Ik moest denken aan mijn buurjongens die in de jaren zestig toen ze een jaar of achttien waren zelfgebouwde raketten lanceerden vanaf het grasveld achter onze flat in Enschede. De betonnen zandbak diende als bunker. Als ze niet met hun raketten in de weer waren, vlogen ze met modelvliegtuigen. 

De brandstof voor hun raketten maakten ze van krantenpagina’s die ze in een zelf gebrouwen vloeistof drenkten en daarna te drogen hingen aan de waslijn van hun moeder. Daarna werden ze opgerold en in een kartonnen koker geschoven. Ik heb geen idee wat voor een vloeistof dat was. Een oplossing van kunstmest? Helemaal betrouwbaar was die brandstof niet. 

Soms veranderde een raket in een luidruchtige bal van vuur voor hij de aarde had verlaten. Voor ons, kinderen en volwassenen die op de flatgalerij stonden te kijken, maakte dat niets uit. Een raket die de lucht in schoot ontving evenveel gejuich als het onbedoelde siervuurwerk van een mislukking.

Ik weet niet of die buurjongens mij er toe hebben aangezet om later modelvliegtuigen en bestuurbare vliegers te bouwen. Misschien is het eerder een diep verlangen om iets te maken dat vliegt. 

Ontsnappen aan de zwaartekracht is nog altijd een vorm van magie. 

Geïnspireerd door de buurjongens bouwde ik een zweefvliegtuig met een frame van balsahout, overtrokken met een soort papier dat strak trok als je het met lak bestreek. Het was een grote klus voor een achtjarige die met een scalpel onderdelen uit balsaplaten moest snijden om ze in elkaar te zetten.

 Een raket die de lucht in schoot, ontving evenveel gejuich als het onbedoelde siervuurwerk van een mislukking.

Toen ik eenmaal klaar was, wilde ik het op het grasveld uitproberen, maar mijn vader leek het beter om mijn zweefvliegtuig vanaf het balkon te lanceren. Ik dacht dat een voorzichtige test op het grasveld beneden veiliger was. Ik had mijn protest nog niet laten klinken of mijn vader lanceerde het ding met een enorme zwaai, waarna het omhoog schoot, een poging tot looping deed en vervolgens met de neus naar beneden op de parkeerplaats af dook.

Er was niets van over. Daarna heb ik het bij Airfix-bouwpakketten gehouden. Daaraan kwam een einde toen ik mijn grootste model in elkaar had gezet, de B-17 Flying Fortresss, een ontzettend ingewikkeld ding, met beweegbare bommenluiken en geschutskoepels. Het heeft me weken gekost en toen hij eenmaal af was, ging mijn kleine zusje er op zitten. De schade was onherstelbaar.

Vliegtuigen en ik waren blijkbaar niet voor elkaar bestemd. Ik stapte over op bestuurbare vliegers die ik opliet vanaf een braakliggend veld bij het hoofdkantoor van de NAM. Toen ik daar zelf als archivaris kwam te werken, hoorde ik een afdelingssecretaresse weemoedig vragen waar die jongen toch was gebleven die hier op mooie zomerdagen zijn vliegers opliet. Elke keer als ik daar met mijn vliegers in de weer was had het kantoorpersoneel zich achter de ramen geposteerd en naar buiten gekeken.

‘Ik hing er ook camera’s aan’, zei ik. ‘Met een touwtje aan de ontspanner. Kon je één luchtfoto maken en dan moest hij weer naar beneden.’

Harry keek mij vanonder een frons aan.

‘Vliegers’, zei ik. ‘Die ik vroeger bouwde.’

Ik keek naar de drone die op mijn uitgestoken hand was geland en wachtte op nadere instructies.

‘Vroeger, toen alles beter was’, zei ik.

Tekst: Marcel Möring. Onlangs verscheen van zijn hand de novelle Kleurentovenaar.
Foto: Harry Cock