Natasja Hogen is bouw- en architectuurhistoricus en erfgoedadviseur. Eind maart verscheen haar boek Een nieuwe omgang met comfort, over de evolutie van verwarmings- en ventilatietechnologieën in gebouwen.

‘Ik kom uit een familie van loodgieters en klokkenmakers en ben opgegroeid met techniek. Het huis van mijn opa stond vol klokken, draaibanken en machines. Amper zeven jaar oud zat ik al te solderen en bouwde ik elektronische circuitjes.

Vanaf de basisschool wist ik het zeker: ik wilde architect worden. Ik ging bouwkunde studeren aan de hts, om vandaar uit naar de Academie van Bouwkunst te gaan. Maar ik bleek ontwerpen niet echt leuk te vinden, terwijl dat natuurlijk vrij essentieel is voor een architect. Het vakgebied was interessant, maar ik ben meer een schrijver en onderzoeker.

Ik ging werken als projectleider op een architectenbureau en daarnaast ben ik architectuurgeschiedenis gaan studeren aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Ik studeerde af op historische badkamers.

Blijven leren is mijn drijfveer. Ik vind het heerlijk in onderwerpen te duiken waarover nog weinig bekend is, waar nog geen specialisten van rondlopen in Nederland. Wát dat zo leuk maakt, is moeilijk uit te leggen. Het heeft natuurlijk iets eenzaams om je alleen op een zolderkamer in een buitenissig onderwerp te verdiepen. Een beetje een eigen wereld creëren, misschien is dat het. Mijn promotieonderzoek, dat ik deed naast mijn werk als docent restauratietechniek, ging over historische klimaatinstallaties. Hoe werden gebouwen in de negentiende eeuw verwarmd en geventileerd? Daarover gaat ook mijn boek dat dit jaar is verschenen.

Ik ben een wat rare hybride, er zijn weinig historici die ook een technische achtergrond hebben. Daardoor snap ik redelijk goed hoe alle verschillende vakgebieden met elkaar praten. De beleidsmedewerkers erfgoed die de plannen voor herbestemming of verduurzaming van een pand moeten beoordelen, de installateurs die nieuwe verwarmingen of ventilatiesystemen moeten plaatsen, de bouwhistorici, de architecten: iedereen heeft zijn eigen taal en manier van kijken. Ik probeer daarbij de verbinding te maken en mensen zich in elkaar te laten verplaatsen. Sommige groepen moeten daarbij misschien wat creatiever worden, andere juist pragmatischer.

Blijf je ogen open houden, ook als je al denkt te weten wat je wil.

Natasja Hogenerfgoedadviseur

Het nadeel als je je vak heel leuk vindt, is dat je echt álles belangrijk vindt. Ik kan me verliezen in details, als vakidioot ben ik niet goed in het scheiden van hoofden bijzaken. Mijn promotor Gabri van Tussenbroek zei regelmatig: “Ja, heel interessante details weer, maar dit hoeft niet in je boek.” Die stem hoor ik nog steeds wel eens in mijn hoofd. “Heel interessant – hoeft er niet in.”

Ik vind het leuk om mijn onderzoek te koppelen aan wat ik zie in de praktijk. Mijn droom was altijd om ooit voor mezelf te beginnen. Dat is een paar jaar geleden gelukt. Het betekent dat ik zelf tot op zekere hoogte beslis welke opdrachten ik doe en voor welke opdrachtgevers, hoe ik het aanpak en hoe ik mijn tijd indeel. Het gaat vaak om relatief korte projecten, met steeds een nieuw onderwerp en een ander gebouw. Dat is een voordeel, want ik raak snel verveeld.

Mijn advies aan studenten is: blijf je ogen open houden, ook als je al denkt te weten wat je wil. Baken je keuze niet bij voorbaat te veel af. Het vakgebied architectuur is veel breder dan je denkt – en dat geldt voor de meeste andere vakgebieden waarschijnlijk ook.

Ga er open in, en vind vervolgens je eigen weg. Dat maakt een studie of baan leuk. Er is altijd wel iets waar je blij van wordt, dat echt bij je past. En realiseer je dat kiezen niet inhoudt dat je nooit meer iets anders kunt gaan doen.’ 

Portret: Bianca Sistermans