In De strijd om het IJ vertelt Corine Nijenhuis het meeslepende verhaal van de ambitieuze 'kanalenkoning' Willem I en zijn rivaliserende ingenieurs Jan Blanken en Adriaan François Goudriaan. Exclusief in De Ingenieur leest u hier een fragment uit het donderdag gepubliceerde boek en de korte toespraak die hoofdredacteur Pancras Dijk hield bij de feestelijke presentatie in Amsterdam.

Amsterdam, Nieuwe Stadsherberg, 1823

Soms komt het leven de herbergier voor als één grote herhaling. Een eindeloos repeterende avond in zijn etablissement waar het rumoer toeneemt naarmate de tijd vordert. Waar het geschuif van stoelen in de kleine zaal, het gekletter van pannen in de keuken, het geklap van deuren naar de logeerkamers van gasten-voor-de-nacht en het getik van biljartballen nooit stilvalt, net als de drinkers aan de toog die het leven van alledag bespreken en die pas opstaan als de boomklok al klinkt, om zich dan met half aangetrokken jassen en half volle glazen die onderweg naar de deur nog leeg moeten naar de loopplank te haasten in de hoop dat ze het nog halen, dat ze de grens tussen water en wal nog over komen voordat de klapbrug onder luid geratel wordt opgetrokken. 

Vanavond is zo’n avond waarop de klok lijkt teruggezet. Want vanavond bespreken de mannen aan de toog het onderwerp dat heel de stad beheerst. Het plan om het dichtgeslibde IJ op diepte te krijgen. Alweer. De kastelein zucht nog maar eens: soms is het leven één grote herhaling. Al zit er inmiddels achttien jaar tussen deze avond en de vorige waarop het winnende ontwerp van de prijsvraag, uitgeschreven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, met stemverheffingen en armgebaren aan de toog besproken werd.

Het onderwerp van de nieuwe prijsvraag mag dan gelijk zijn aan dat uit 1805, de opdrachtgever ervan is dat niet. Was het vorige keer de stad Amsterdam die een beroep deed op de kennis en vernuftigheid van wetenschappers en waterbouwers, ditmaal is het de koning. Een verbazingwekkende manoeuvre omdat de bouw van Jan Blankens dokdijk nog gewoon op de lijst van uit te voeren bouwprojecten staat, tenzij het Amsterdam lukt om zelf het IJ op diepte te brengen natuurlijk. Maar daar lijkt het niet op. Het geheime wapen, de baggerstoommachine, is niet zo geweldig gebleken als eerder beweerd. Maar Willem I is een pragmatisch man. Hij snapt maar al te goed dat het niet alleen de dokdijk is die het Amsterdamse bestuur zo tegenstaat. Het is ook de Inspecteur-Generaal Jan Blanken zelf die grote weerstand oproept.

De Willem 1-sluis in Amsterdam-Noord vormt het zuidelijke begin van het Noordhollandsch Kanaal.

Al direct na de moddercompetitie in de Buikslotertrekvaart heeft Willem I het genootschap gevraagd een nieuwe prijsvraag uit te schrijven. Dat de stoombaggermolen de grote verliezer van de baggerwedstrijd is, maakt pijnlijk duidelijk dat de machine waarop de gemeenteraad zijn hoop heeft gevestigd, geen oplossing biedt. De koning hoopt, op zijn beurt, dat Amsterdam de hakken uit het zand haalt als een andere waterbouwkundige dan Jan Blanken duidelijk maakt dat het omdijken van het open havenfront noodzakelijk is om het dichtslibben van het IJ tegen te gaan.

Toch zal Willem I zich achter het oor hebben gekrabd bij het zien van het resultaat van zijn opdracht. Want het is niet alleen het huidige winnend ontwerp dat, opnieuw, de stad Amsterdam heeft geschokt, ook de indiener ervan roept weerstand op. Al speelt die weerstand niet zozeer bij de stadsraad als wel bij Jan Blanken. Want het is zijn collega die het winnende ontwerp heeft bedacht. Adrianus François Goudriaan, de man tegen wie hij inmiddels al jarenlang een zwijgende oorlog voert.

De strijd om het IJ. Het meeslepende verhaal van een ambitieuze koning en zijn rivaliserende ingenieurs 
Corine Nijenhuis | 272 blz. € 23,99 | e-boek € 12,99 verschenen bij Alfabet Uitgevers

De drinkers aan de toog raken er niet over uitgesproken. Het is een ironische speling van het lot dat uitgerekend Blankens zelfgekozen vijand een ontwerp bekroond krijgt dat het zijne verdringt. Ze zouden er hartelijk om kunnen lachen als het plan van Adrianus Goudriaan om het IJ op diepte te krijgen niet zo schokkend was. Want wie denkt dat het winnende ontwerp van Blankens dokdijk uit 1805 verregaande consequenties heeft voor de stad, wrijft zich nu in de ogen en ziet dat het altijd erger kan. In het plan van Goudriaan is geen sprake meer van een gedeeltelijke omdijking, er is sprake van een totale afdamming. Van het hele IJ om precies te zijn. Inspecteur-Generaal Goudriaan heeft bedacht een afsluitdijk te bouwen vanaf Schellingwoude aan de rand van Waterland tot aan de vuurtoren bij de Diemerpolder aan de overzijde. Daarmee wordt de stad afgesloten van de Zuiderzee. De commissie die de onderscheiding – bestaande uit 2500 guldens en een gouden eerprijs – inmiddels tijdens de algemene vergadering van de Hollandsche Maatschappij te Haarlem heeft uitgereikt, roemt de voordelen van de afdamming. Niet alleen zal het gedaan zijn met de aanslibbing in de zeearm, ook zal het IJ-water zoet worden.

Het Haarlemmermeer kan worden drooggelegd, de hoge kosten van het dijkonderhoud langs het IJ zullen omlaag gaan en, misschien wel het belangrijkste voordeel voor de stad, het scheepvaartverkeer van en naar Amsterdam zal sterk worden bevorderd. Want ook daarvoor heeft Goudriaan een oplossing bedacht: een kanaal dat vanuit het afgedamde IJ naar de Zuiderzee zal worden gegraven. Dwars door Waterland en de af te dammen Gouwzee, om vervolgens het eiland Marken te doorsnijden waar het, bij de vuurtoren, uitmondt in de Zuiderzee. Een nieuw kanaal om het Pampus te mijden op weg naar de Noordzee. Hoe dat kanaal heten gaat? Het Goudriaankanaal.

Foto helemaal boven: Luchtfoto van het eiland Marken waar in het midden een restant van het nooit voltooide Goudriaankanaal zichtbaar is. Credit: Jan Arkesteijn / Publiek domein