
Waar is iedereen?
Sinds mensenheugenis vragen we ons af wat onze plek is in het uitgestrekte heelal. Sarah Alam Malik schreef een boeiende geschiedenis van die zoektocht.
Een korte geschiedenis van het universum (en onze plek daarin)
Wat is er mooier dan een heldere, nachtelijke sterrenhemel? Zelf woon ik in de hoofdstad, waar het zelfs ’s nachts nooit echt donker wordt. Dus een paar jaar geleden reisde ik naar Denemarken en Portugal voor een uniek perspectief op de ‘uitgestrekte kosmische oceaan’. Die landen kennen Dark Sky-parken, natuurgebieden met een beschermde status vanwege de totale afwezigheid van lichtvervuiling. Nederland heeft er daar inmiddels ook twee van: de Boschplaat op Terschelling en het Lauwersmeer.
Wie in zo’n gebied het geluk heeft van een onbewolkte, maanloze nacht, zal versteld staan van de sterrenpracht. Ikzelf had het gevoel dat ik het glinsterende spoor van de Melkweg bijna kon aanraken. Een ervaring die tegelijk een reeks existentiële vragen opriep. Wat is onze plek in dit heelal? Hoe denkbaar is het dat op geen van die talloze hemellichamen leven bestaat?
De term ‘uitgestrekte kosmische oceaan’ is van de bekroonde Britse deeltjesfysicus Sarah Alam Malik, die zelf onder meer werkte aan de deeltjesversneller van CERN. Van haar hand verscheen onlangs Een korte geschiedenis van het universum (en onze plek daarin), waarin ze chronologisch verslag doet van onze pogingen het universum te doorgronden en een antwoord te vinden op de vraag waar wij thuishoren.
In de oudheid waren beschavingen al in staat om op basis van de stand van de sterren hun weg te vinden en de tijd te meten. Ze kenden het verband tussen de sterrenhemel en de seizoenen. Om te weten of ze konden gaan zaaien, hoefden ze ’s nachts maar naar boven te kijken.

Tegelijk, benadrukt Malik, was het firmament al bij de Babyloniërs niet alleen een nuttige bron van praktische kennis, maar ook de zetel van de goden. ‘De hemelen spraken en het ontcijferen van die kosmische dialoog werd een heilige plicht.’ Die plicht werd toevertrouwd aan priesters, die zonder uitzondering ook als astronoom dienstdeden en hun bevindingen in spijkerschrift vastlegden op kleitabletten. Zij leerden de kunst van het voorspellen van de positie van hemellichamen, wat hun machtspositie aanzienlijk versterkte. De Babyloniërs waren zo de eerste mensen die probeerden een systematisch kader te scheppen dat inzicht biedt in de kosmos. Daarmee zetten ze de trend die tot vandaag de dag voortduurt.
Want nog altijd proberen we betekenis te vinden in wat we zien als we omhoog kijken. Voor dat kijken hebben we inmiddels de beschikking over de beste instrumenten, waarvan we sommige zelfs in de ruimte zelf hebben geplaatst. Maar steeds als we denken het heelal te begrijpen, dan vinden we weer wat nieuws dat ons begrip volkomen op z’n kop zet.
Tegenwoordig is het vooral de zoektocht naar buitenaards leven die ons denken over de kosmos domineert. Zo is berekend dat ons sterrenstelsel tegen de vierhonderd miljard sterren telt en minstens evenveel planeten. Observaties met de Keplertelescoop wijzen uit dat ongeveer driehonderd miljoen van die planeten in principe bewoonbaar zouden zijn. En dan te bedenken dat ons sterrenstelsel slechts een van de naar schatting twee biljoen sterrenstelsels is, en zeker niet het grootste.
Ons Melkwegstelsel ontstond 13,6 miljard jaar geleden en mochten er ergens in het heelal andere beschavingen zijn, dan zullen sommige daarvan op ons achterlopen, maar andere ons ver vooruit zijn. Het tijdperk van de technologie is op onze planeet pas net aangebroken, maar nu al doen instrumenten van een halve eeuw geleden primitief aan. Ergo: een beschaving die op ons voor ligt, zou allang over rakettechnologie moeten beschikken om het hele sterrenstel systematisch te kunnen uitkammen. Eén buitenaardse beschaving die contact met de aarde legt zou voldoende zijn, maar intussen duurt de Grote Stilte maar voort. Het is de paradox die Enrico Fermi in 1950 formuleerde: de statistische waarschijnlijkheid van buitenaards leven is immens, maar elk bewijs blijft uit. Waar is iedereen? Op die vraag gaat Malik uitvoerig in, in wat mede dankzij vertalers Evert en Frits van der Waa een helder betoog is, vol filosofische diepgang in een toegankelijke stijl.






