Een eeuw geleden verrezen door het hele land tuindorpen. Een nieuw boek maakt duidelijk hoe dit nieuwe woonideaal vorm kreeg.

Eind achttiende eeuw telde ons land twee miljoen inwoners, honderd jaar later vijf miljoen. Een kwart van hen woonde in een van de vier grote steden, in wat ingenieursvereniging KIVI in 1854 in een rapport aan de koning ‘holen der menschen’ noemde, slechter nog dan hoe dieren waren gehuisvest. De industriële revolutie had tot een explosieve bevolkingsgroei geleid. Hoe konden al die mensen een fatsoenlijke woning krijgen?

Dit is het vertrekpunt van de fascinerende Atlas van tuindorpen in Nederland, prachtig uitgegeven door Wbooks. Door bij het begin te beginnen weet sociaal geograaf Martijn Haan overtuigend duidelijk te maken dat de nu best ielig, soms schattig ogende huisjes in de tuindorpen ooit een nieuw woonideaal vertegenwoordigden. Dat ideaal kwam voort uit de destijds vernieuwende denkbeelden van de ‘hygiënisten’, artsen die in hun ‘hygiënistisch programma’ hamerden op het belang van zon, licht en lucht – en prozaïscher benodigdheden als riolering en stromend water. Zij waren het ook die hamerden op functiescheiding in de woning, met aparte ruimten voor slapen en koken en wonen.

In de tuindorpen wisten Nederlandse architecten het beste van stad en platteland te verenigen, stelt Haan. Vlakbij fabriek, scheepswerf of kolenmijn, maar met genoeg groen. Alleen de cafés ontbraken vaak, want die pasten niet in het ideaal. Voor de verheffing van de arbeider waren kroegen immers de doodsteek.

Hoewel de tuindorpen niet voor de eeuwigheid waren bedoeld, staan er nog vele overeind en vormen ze nog altijd bloeiende gemeenschappen. Mooi kaartmateriaal, een schat aan archieffoto’s en prachtig nieuw beeld van fotograaf Bart van Hoek, maken van de atlas een rijk en bovendien zeer leesbaar document.

Atlas van tuindorpen in Nederland

Martijn Haan, Bart van Hoek (fotografie) 248 blz. | € 49,95