
Geld om te groeien
‘Waarom stoppen met iets dat eindelijk goed loopt?’
Van fotonica tot de Einsteintelescoop, van duurzaam vliegen tot groen staal: sinds 2021 trok de overheid via het Nationaal Groeifonds miljarden uit voor innovatie. Net zo makkelijk draaide het kabinet-Schoof in 2024 de geldkraan weer dicht. Wat hebben de Groeifondsmiljarden opgeleverd?
TEKST: DENNIS VAENDEL
Nederland duurzamer maken, bedrijvigheid en banen voor de toekomst creëren, welvaart bevorderen, de positie op het wereldtoneel versterken: het waren zo’n zes jaar geleden allemaal redenen voor het toenmalige kabinet om het Nationaal Groeifonds op te richten. In september 2020, op Prinsjesdag, kondigden de ministers Hoekstra en Wiebes aan dat in de daaropvolgende vijf jaar via het fonds twintig miljard zou worden geïnvesteerd in projecten die het ‘duurzame verdienvermogen’ van Nederland zouden versterken.
Dat moest gebeuren in vijf fasen, maar zover kwam het niet. De laatste twee ronden – goed voor bijna zeven miljard euro – werden in 2024 geschrapt door het net aangetreden kabinet-Schoof, dat besloot het Groeifonds uit te faseren. In de jaren daarvoor had het sowieso al de bijnaam ‘Graaifonds’ gekregen, vanwege de neiging van politici om een greep te doen in deze goedgevulde pot, voor doeleinden die weinig met innovatie te maken hadden. Hoewel het nieuwe minderheidskabinet van premier Rob Jetten zich in zijn regeerakkoord begin dit jaar uitsprak voor een opvolger van het Groeifonds, bestaat daar nog weinig duidelijkheid over.
Ondanks de politieke turbulentie hield de toekenning van zo’n elf miljard in de eerste drie ronden stand. Die is verdeeld over vijftig projecten, met zeer uiteenlopende thema’s: van het versterken van de digitale autonomie tot de ontwikkeling van nieuwe kankermedicatie, en van klimaatbestendige landbouw tot een duurzamere binnenvaart.
Ontwikkelingshulp
Die investering is cruciaal voor Nederland, benadrukken betrokkenen bij meerdere projecten. Zonder zoiets als een Nationaal Groeifonds bieden we eigenlijk een soort ontwikkelingshulp aan landen als de Verenigde Staten en China, zegt Tom van der Horst, directeur Strategie & Innovatie bij TNO, die in 2025 het boek Innovatiekracht schreef. Nederland kent al decennialang een innovatieparadox, zegt hij. ‘Universiteiten produceren veel kennis, maar als land slagen we er maar mondjesmaat in die om te zetten in nieuwe bedrijvigheid die de economie versterkt of maatschappelijke problemen oplost. Ondernemers die in Nederland geen investeringskapitaal kunnen krijgen, gaan dat ophalen in bijvoorbeeld de VS, waardoor de echte economische impact daar plaatsvindt.’
Van der Horst is zelf als directeur Strategie betrokken bij het NXTGEN Hightech-project, dat bijna een half miljard euro uit het Groeifonds kreeg. Een aanzienlijk deel daarvan gaat naar tientallen start en scale-ups: jonge bedrijven die een innovatief idee proberen door te ontwikkelen en te vermarkten. ‘Binnen ons project richten die zich allemaal op ultranauwkeurige, hoogtechnologische apparatuur voor allerlei toepassingen, denk aan lasercommunicatie voor satellieten en drones. Deze bedrijfjes zeggen zelf: we hadden niet bestaan zonder NXTGEN, of de ontwikkeling was in elk geval veel langzamer gegaan. Terwijl ze samen met de toegepaste kennisinstellingen belangrijke schakels tussen kennis en bedrijvigheid vormen, waarmee je die innovatieparadox kunt doorbreken. Dat is niet alleen belangrijk voor onze economie, maar ook voor de autonomie die we inmiddels als land nastreven.’
Open speelveld
Dat beaamt Laurens Weers, bestuurder en chief financial officer bij PhotonDelta, een project dat ook op bijna een half miljard euro uit het Groeifonds kan rekenen. Het richt zich op de uitbreiding van de productie van fotonische chips door eveneens stevig te investeren in onderzoeksprojecten, start-ups en het aantrekken en opleiden van talent. Anders dan de ‘klassieke’ variant maken fotonische chips gebruik van fotonen in plaats van elektronen om informatie over te dragen, wat ze energiezuiniger maakt. Dat maakt ze cruciaal voor quantumcomputers en erg interessant voor energieslurpende AI-datacenters, zegt Weers. ‘Het is vanuit geopolitiek oogpunt enorm belangrijk om deze als Nederland en Europa zelf te kunnen maken. Dat geeft je autonomie en een stem aan tafel, zoals we nu voor elektronische chips ook hebben dankzij ASML.’
De productie van de klassieke chips wordt gedomineerd door Taiwan. Die concurrentiestrijd is verloren, stelt Weers, maar het speelveld voor fotonische chips ligt nog open. ‘We hebben in Nederland veel kennis op dit gebied, met sterke hubs als Eindhoven en Twente. Als we van die grote kans willen profiteren en de industrie willen accelereren, is daar overheidsgeld voor nodig. In Taiwan heeft de overheid ook jarenlang in de chipindustrie geïnvesteerd; dat heeft een enorme aanzuigende werking gehad op private investeerders en bedrijven. Onze concurrenten China en de VS hebben ook zulke nationale programma’s. Wie niet meegaat, doet er al snel niet meer toe.’
Tegenwind
De vrees om zonder Groeifondsmiljoenen de internationale concurrentiestrijd – en daarmee geopolitieke autonomie en toekomstig verdienvermogen – te verliezen, bestaat in meer sectoren. Neem zonne-energie. Deze sector wordt ‘op bizarre wijze gedomineerd door China, dat zonnepanelen vaak ook nog onder de kostprijs op de Europese markt brengt’, zegt Jan Vesseur, voorzitter van het Groeifondsproject SolarNL. ‘Nederlandse bedrijven in de opstartfase hebben hierdoor met enorme tegenwind te maken. Als je niks doet, verdwijnt de industrie. Dan zou de energietransitie stilvallen als China opeens geen zonnepanelen meer wil leveren. Om weerbaar te blijven, moeten we in actie komen.’ Met ruim honderd miljoen euro uit het Groeifonds richten onder meer tientallen promovendi en start-ups zich op flexibele zonnepanelen gemaakt van perovskiet in plaats van ‘standaard’ silicium. ‘Daarmee kun je – zeker in combinatie met siliciumcellen – richting hetzelfde rendement gaan, maar dan duurzamer en uiteindelijk goedkoper: het productieproces is minder ingewikkeld, er is minder materiaal nodig dat ook nog eens allemaal in Europa te vinden is, de panelen zijn lichtgewicht en beter te recyclen. Qua kennis behoren we tot de kopgroep, maar qua grootschalige productie nog niet. Die Groeifondsmiljoenen zijn een belangrijke impuls, waardoor ook private investeerders kunnen gaan denken: Hé, Nederland doet weer mee.’
Aankloppen in Brussel
Ook in Brussel vallen die overheidsinvesteringen op, zegt Ron van Manen, directeur van het Luchtvaart in Transitie-project (LiT), dat de Nederlandse luchtvaartsector probeert te verduurzamen met een kleine vierhonderd miljoen uit het Groeifonds. ‘Vliegtuigbouw is zo complex dat het niet op nationaal, maar minimaal op Europees niveau gebeurt. In de Nederlandse politiek hoor je daarom weleens: klop niet bij ons aan, maar wend je tot Europa voor subsidies. Maar daar is veel concurrentie. Bovendien wil je ook iets meebrengen en niet alleen iets komen halen. Ik heb lang in Brussel gewerkt en gezien dat nationale innovatieprogramma’s echt een ticket vormen om aan boord te komen bij miljardenprojecten.’
Van Manen ziet nu al de winst van LiT. ‘De Nederlandse luchtvaartsector en overheid worden weer serieus genomen en krijgen kansen, bijvoorbeeld in grote consortia van Airbus; denk aan projecten rond waterstofvliegtuigen of ultraefficiënte elektrische systemen. Daar kunnen we lang profijt van hebben, want nieuwe vliegtuigen gaan decennia mee.’
Vertrouwen tanken
Op een vergelijkbare manier kan een reservering van bijna negenhonderd miljoen euro in het Groeifonds voor de mogelijke bouw van de ondergrondse zwaartekrachtsgolfdetector Einsteintelescoop in de grensregio bij Zuid-Limburg voor decennia aan innovatie zorgen. Daarbij heeft men eerst nog wel af te rekenen met concurrentie van de Oost-Duitse deelstaat Saksen en het Italiaanse eiland Sardinië. Volgend jaar wordt op Europees niveau besloten welke locatie het miljardenproject mag huisvesten.
Volgens Stan Bentvelsen, wetenschappelijk directeur van het projectbureau Einstein Telescope Euregio Maas-Rijn, is het Nationaal Groeifonds van levensbelang. ‘Het heeft Nederland de mogelijkheid gegeven om politiek leiderschap te pakken.’ Hij wijst erop dat buurlanden door de Nederlandse toezegging ‘vertrouwen getankt’ hebben om zelf ook bij te dragen aan de mogelijke bouw in de grensregio. Zo reserveerde Vlaanderen sindsdien een half miljard en Wallonië tweehonderd miljoen. Met die financiële basis zou de Euregio haar concurrenten zomaar kunnen aftroeven.
Bovendien zijn er nu al Groeifondsmiljoenen beschikbaar voor het ontwikkelen van een bidbook en het stimuleren van samenwerking tussen wetenschap en industrie bij de ontwikkeling van de benodigde technologie voor de ultragevoelige detector, die later mogelijk ook weer zijn weg kan vinden naar de markt. Op het gebied van technologieontwikkeling heeft de regio al een Europese leiderschapspositie ingenomen, zegt Bentvelsen, wat volgens hem een ‘uniek moment’ oplevert ‘om Europese topinstituten en de beste hightechindustrie in Europa aan de regio te binden’.
Gigant
Hoewel het bij veel projecten vooral draait om het helpen van beginnende bedrijfjes, zijn soms ook grote, zeer winstgevende bedrijven betrokken. Kunnen zij niet zelf dienen als investeerder voor innovatie in hun eigen sector, in plaats van te profiteren van een geldschietende overheid?
Dat is wat te eenvoudig gesteld, zegt Erik Vegter, programmadirecteur van het project Groeien met Groen Staal, dat zich met honderd miljoen euro uit het Groeifonds richt op het verduurzamen van de staalsector. Bij het project is ook de Nederlandse tak van staalgigant Tata Steel betrokken.
‘Het is niet zo dat honderd miljoen bij Tata terechtkomt,’ stelt Vegter. ‘Het meeste gaat naar universiteiten of kleinere bedrijven die demonstratieprojecten opzetten. Als Tata dat zelf zou moeten betalen, waarom zou het bedrijf dat dan in Nederland doen en niet ergens waar het wellicht goedkoper is? Het punt van het Groeifonds is juist dat we de Nederlandse economie willen stimuleren, en dat zien we nu ook gebeuren.’
Weeffout
Nee, het Nationaal Groeifonds is niet perfect, klinkt het bij verschillende projecten. Zo duurt het door de vele regels voor het besteden van overheidssubsidies en -leningen soms lang voordat het geld daadwerkelijk kan worden uitgegeven. Dat geldt vooral vaak voor startups, die financieel een wankele basis hebben.
‘Terwijl dat juist het hele punt voor de steun is’, verzucht Vesseur. ‘Dat moet sneller gaan. Als je nieuwe technologieën in de markt wil zetten, moet daar tempo in zitten.’ Wat hem betreft zou Nederland zich bijvoorbeeld assertiever kunnen opstellen als het gaat om Europese regels.
Daarin kan ook Weers zich vinden. Hij wijst erop dat andere Europese landen ook regelmatig om uitzonderingen vragen in Brussel. Desondanks ziet Van Manen een groeicurve. ‘Projecten wisselen ervaringen uit en ambtenaren zien ook wel in dat het overheidsapparaat vrij stug is. De overheid is het nu eenmaal niet gewend om voorop te lopen met risicovolle investeringen in deep tech start-ups. Het gaat wel steeds beter en het Groeifonds is hierin een positieve factor.’
Een andere doorn in het oog van Vesseur is dat de toegekende miljoenen deels voorwaardelijk kunnen zijn. Zo besloot de overheid vorig jaar om een gereserveerd bedrag van 277 miljoen voor ‘zijn’ SolarNL-project alsnog definitief te schrappen, omdat men het opzetten van grootschalige productie van ‘klassieke’ zonnepanelen van silicium in Nederland ‘niet langer realistisch’ achtte. ‘We mogen wel doorgaan met perovskiet, maar voor silicium denkt men blijkbaar dat we als land de slag hebben verloren. Daar zijn wij het niet mee eens. Het is een weeffout van het Groeifonds dat men eerst zegt ‘‘We gaan dit doen’’ en een paar jaar later de keutel kan intrekken. Dat helpt niet voor het vertrouwen van private investeerders. In Europa groeit het besef dat we hierop juist meer moeten inzetten en zonne-energie niet meer weggaat. Over een jaar denken we in Nederland misschien: we hadden toch in silicium moeten blijven investeren.’
Krachtig ecosysteem
Desondanks overheerst binnen de projecten optimisme over het Groeifonds. Ze hebben allemaal inmiddels de opstartfase verlaten en zijn naar eigen zeggen op stoom. Honderden promovendi en postdocs zijn aan de slag, tientallen kleinere en grotere bedrijven boeken resultaten en halen miljoenen aan private investeringen binnen: allemaal zaken die anders waarschijnlijk niet of minder goed van de grond waren gekomen. Met name de innige samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven wordt geprezen. ‘Er ontstaat een krachtig ecosysteem rond één thema dat zichzelf voedt en versterkt’, zegt Weers. ‘Ik ken eigenlijk geen eerdere voorbeelden van zo’n aanpak op deze schaal in Nederland.’
Dat is vooral te danken aan het feit dat onderzoekers en ondernemers niet meer los van elkaar kleinere subsidies hoeven binnen te sprokkelen, maar als één geheel voor meerdere jaren met grote bedragen aan de slag kunnen. ‘Ik merk dat er in andere Europese landen soms naar ons project wordt opgekeken’, zegt Vegter. ‘Je kunt als onderzoeker of bedrijf technisch allerlei mooie oplossingen verzinnen, maar als de randvoorwaarden niet kloppen, blijven die op de plank liggen. Binnen ons project betrekken we het complete systeem: we richten ons niet alleen op de duurzamere productie van staal, maar ook op het gebruik ervan, recycling, regelgeving, het opleiden van mensen. De hele keten deelt kennis, ook partners die er normaal nooit betrokken bij zouden zijn. Die aanpak is uniek.’
Ook de looptijd van de projecten – de meeste lopen door tot het begin van het volgende decennium – is cruciaal, zegt Van Manen. ‘Grote bedrijven en investeerders vinden de miljoenenbedragen vaak niet eens het belangrijkste, maar die stabiliteit juist wel. Het Groeifonds tilt de toegekende investeringen als het ware boven de politieke partijen. Zelfs met vallende kabinetten is het niet constant Jantje lacht en Jantje huilt. De investeringen blijven staan.’
Vierbaansweg
Althans, dat geldt voor de elf miljard die tijdens de eerste drie ronden van het Groeifonds zijn uitgedeeld. Dat de overige miljarden vervolgens zijn wegbezuinigd en over een opvolger nog weinig bekend is, kan op veel kritiek rekenen vanuit de bestaande projecten. ‘We hebben nu eindelijk iets dat goed loopt, waarom zou je er dan mee stoppen?’, is de retorische vraag die meermaals klinkt.
Na 2030 immers verdwijnt de vraag naar hightechapparatuur, fotonische chips, groen staal, zonnepanelen en klimaatneutrale vliegtuigen niet opeens. Integendeel. ‘Fotonische chips moet je continu blijven doorontwikkelen; ze moeten steeds sneller worden’, zegt Weers. ‘In Nederland hebben we inmiddels een prima productieketen opgezet; zeg maar een eenbaanssnelweg. Maar om op het wereldtoneel bij te blijven, hebben we drie of vier banen nodig. Anders verliezen we snelheid en halen andere landen ons in.’
Blijvende steun van de overheid voor vervolgprojecten is daarbij cruciaal, benadrukt Weers. ‘Succesvolle bedrijven hebben uiteraard steeds minder steun nodig, maar we moeten ze blijven stimuleren. Ik wil niet zeggen dat anders alles voor niks is geweest, maar je laat dan wel een enorme kans varen die je als land voor jezelf gecreëerd hebt.’
Van der Horst is het daarmee eens. ‘Heel plat gezegd: als er geen opvolger voor het Groeifonds komt, dan verliezen we op veel belangrijke vlakken onze positie in Europa en de wereld. Bedrijven vertrekken mogelijk naar het buitenland of gaan failliet, getalenteerde mensen gaan iets anders doen. Dan lopen we het risico dat het Groeifonds een desinvestering wordt. Het nieuwe kabinet heeft wel de bezuinigingen op onderwijs en onderzoek gerepareerd, en investeert ook in grotere bedrijven, maar lijkt weinig oog te hebben voor startende, innovatieve bedrijfjes die juist zo belangrijk zijn. Dat is heel zorgelijk.’
Hij hoopt dat er snel duidelijkheid komt over een stabiele opvolger van het Nationaal Groeifonds. ‘Innovatie is geen sprint, maar een marathon. Rustig, consistent beleid, tegen het saaie aan: dat is de helft van het succes. Het heeft ook decennia geduurd voordat ASML stond. En dat is wat we willen: nieuwe ASML’s creëren.’








Reacties