
Verkeerde aannamen bij aardbevingenbeleid
Wat gebeurt er als speculatieve, theoretische rekenmodellen verplichte normen worden? In het dossier rond de aardbevingen veroorzaakt door de gaswinning in Groningen leidde het tot een ramp in slow motion, concludeert Sjoerd Nienhuys, die vorig jaar zijn proefschrift Geïnduceerde aardbevingen in Groningen afrondde.
De aardbevingsproblematiek in Groningen heeft geleid tot een complex dossier, mede vanwege de angst voor zware aardbevingen en de stress veroorzaakt door schadeafhandelingsprocedures. Het werd een proces waarbij onderzoek, techniek, overheidsbeleid, bureaucratie en maatschappelijke gevolgen met elkaar verweven raakten. Puur theoretische, speculatieve seismologische aannamen werden zonder controle vertaald in extreme belastingwaarden voor gebouwen en daardoor in een dure uitvoeringspraktijk. Overheidsbeleid volgde deze ‘normen’ en de publieke beeldvorming werd vervolgens sterk beïnvloed door de vermeende seismische onveiligheid.
Misstappen
Bij geïnduceerde aardbevingen – aardbevingen door menselijk handelen zoals gaswinning – is het zaak de theoretische kans in te schatten van de kracht van nieuwe bevingen. In Groningen is die kans echter berekend op basis van speculatieve aannamen door wetenschappers en vervolgens verwerkt door bestuurders die de basis van die berekeningen niet konden doorgronden. In mijn proefschrift laat ik zien welke misstappen zijn gemaakt en concludeer ik dat het beleid rond geïnduceerde aardbevingen niet moet uitgaan van theoretisch maximaal denkbare aardbevingen, maar van de actuele aardbevingen, de belastbaarheid van de oude gebouwen en de vraag wat maatschappelijk aanvaardbaar is voor bewoners. Dat laatste hangt onder meer af van de compensatie.
Huizingebeving
In 2012 vond bij Huizinge een ‘gasbeving’ plaats met een magnitude van 3,6 op de Schaal van Richter, de zwaarste Groningse beving tot op dat moment én tot op heden. Op basis kwamen er schattingen voor de Piek Grond Acceleratie (PGA) – dat is de mate waarin de bodem heen en weer schudt – bij toekomstige bevingen. Deze PGA bepaalt de gebouwbelasting. De extreme projecties werden door alle professionals in Groningen blind geaccepteerd en door de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) tot norm verheven. Speculatieve theorie werd zo bestuurlijke werkelijkheid.
Na de Huizingebeving ontstond een nieuwe fase in het dossier. Er moest in korte tijd veel worden opgelost, vanwege grote sociale en politieke druk. Er kwam meer seismologisch onderzoek. Dat leidde tot extreme magnitudeprojecties, van tussen tien en honderd keer de sterkte van de Huizingebeving. Civieltechnisch probeerde men een antwoord te vinden op de extreme gebouwbelastingen die dat met zich mee zou brengen. Het veiligheidsrisico van instortingen door de hoge PGA kwam op de voorgrond te staan.
Draagbare belasting
De rekenmodellen waren prachtig, maar de PGA-projecties waren onlogisch. De voorspelde grondversnelling was verticaal vier keer en horizontaal zelfs acht keer groter dan bij de zwaarste beving in Groningen ooit. Het probleem dat hieraan ten grondslag lag, was dat de Groningse gasbevingen wezenlijk verschillen van natuurlijke, tektonische aardbevingen die elders in de wereld optreden, en die als theoretische basis voor de modellen dienden. Gasbevingen ontstaan door drukveranderingen en kleine inzakkingen in een geologisch gezien dun gasveld op drie kilometer diepte, natuurlijke aardbevingen door verschuivingen van (delen van) de aardkorst.
Daarom had niet de theoretisch maximaal denkbare aardbeving centraal moeten staan, maar de vraag welke belasting de bestaande en oudere Groningse metselwerkgebouwen zonder gedeeltelijk instortingsrisico (dus seismisch veilig) kunnen verdragen. Vooral in Groningen is dat relevant, omdat een groot deel van de gemetselde woningen in de provincie niet is ontworpen op aardbevingsbelastingen. Bouwkundige kennis over die bestaande woningen en een seismische analyse had een bepalende rol moeten spelen bij de veiligheidsnormen en het versterkingsbeleid.
De gevolgen van de te hoog berekende PGA-kaart van het KNMI, de daaropvolgende normering en de dááropvolgende beleidsmaatregelen – zoals het feit dat de NCG 27.000 woningen als onveilig bestempelde – resulteerde in angstgevoelens over de vermeende onveiligheid. Die werden verergerd door toenemende stress vanwege de bureaucratie van de schadeboordelingen.
De auteur van dit stuk, Sjoerd Nienhuys, promoveerde op 12 november 2025 aan de TU Delft op het proefschrift 'Geïnduceerde aardbevingen in Groningen'.

Angst regeert
Scheuren in woningen die niet werden gerepareerd, overal geplaatste stutten, draconische versterkingsoperaties en berichten over mogelijke veiligheidsrisico’s versterkten gevoelens van onzekerheid en angst. Ook internationale berichtgeving over zware aardbevingen elders in de wereld, met honderden doden, werkte door in de publieke beeldvorming. Daardoor ontstond verwarring tussen geleden schade, de versterkingsnoodzaak en daadwerkelijke constructieve veiligheid. Het ‘onveiligheidsgevoel’ werd steeds meer het centrale thema. Dat kreeg extra aandacht door onderzoeken van de GGD, Gronings Perspectief en de Parlementaire Enquêtecommissie, die zich niet bewust waren van het effect van de verkeerde norm. De aardbevingsproblematiek werd daarmee een sociaal en bestuurlijk vraagstuk: niet alleen gebouwen moesten worden hersteld, ook het vertrouwen in de overheid was weg.
Theorie versus werkelijkheid
Zonder risicoanalyses en normering is verantwoord beleid vaak onmogelijk. De situatie met de lichte aardbevingen in Groningen laat zien dat theoretische modellen nooit losgezongen mogen raken van de werkelijkheid. De belangrijkste lessen uit Groningen zijn niet alleen seismisch/technisch van aard, maar ook sociaal en financieel. Veiligheid is een seismisch-constructieve opgave, maar veiligheidsgevoel is gebaseerd op media-informatie en de ervaringen van bewoners. Als die informatie niet klopt, ontspoort het versterkingsproces of het herstelproces, zoals in Groningen gebeurde.
Het gaat bij de bepaling van de maximaal verwachte PGA dus ook over de uitlegbaarheid daarvan, en het vermogen om onzekerheden duidelijk te communiceren. Seismologen van de NAM en het KNMI meldden wel dat het slechts schattingen waren, maar brachten dat niet breed naar buiten.
Wanneer PGA-waarden diep ingrijpen in veiligheidsnormen en kosten, vraagt het maatschappelijke zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid van ingenieurs om die normen tegen het licht te houden. Sla dus nooit meteen aan het rekenen, maar vraag je eerst af: waar zijn we eigenlijk mee bezig? Laat dat de les zijn die het Groningen-debacle ons heeft geleerd.
Sjoerd Nienhuys (1944) is bouwtechnicus, seismisch ingenieur en adviseur bij Huys Advies.
Openingsbeeld: NAM







Reacties