Digitale zaken vallen niet langer onder het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, maar onder Economische Zaken en Klimaat . Die verschuiving zegt veel over hoe dit kabinet naar digitalisering kijkt, stelt columnist Rudy van Belkom.

Sinds de laatste verkiezingen heeft Nederland een staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit. Geen minister van Digitale Zaken, maar wel een bewindspersoon die zich nadrukkelijk laat gelden. Zo blokkeerde staatssecretaris Willemijn Aerdts onlangs de overname van DigiD-beheerder Solvinity door het Amerikaanse Kyndryl. Een besluit dat laat zien dat digitale soevereiniteit geen abstract beleidsbegrip is, maar een concrete afweging van belangen. Daarvoor verdient zij alle lof.

Toch knaagt er iets. Niet zozeer vanwege de persoon of haar optreden, maar vanwege de plek waar haar portefeuille is ondergebracht. Digitale Zaken vallen niet langer onder het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), maar onder Economische Zaken en Klimaat (EZK). Opvallend genoeg lijkt vrijwel niemand zich daarover druk te maken. Terwijl juist die verschuiving veel zegt over hoe dit kabinet naar digitalisering kijkt.

Wie de websites van beide ministeries bezoekt, ziet direct het verschil in perspectief. BZK omschrijft zijn missie als het versterken van de democratie, het beschermen van grondrechten en het waarborgen van goed openbaar bestuur. EZK richt zich op een stabiel en voorspelbaar ondernemersklimaat waarin bedrijven kunnen groeien en innoveren. Beide doelen zijn belangrijk, maar ze vertrekken vanuit een fundamenteel andere logica.

Digitalisering onder BZK gaat over publieke waarden: privacy, digitale toegankelijkheid, inclusie en de bescherming van burgers. Onder EZK verschuift de aandacht naar innovatie, concurrentiekracht, startups, cloud-beleid en economische ontwikkeling. Dit gaat veel verder dan semantiek. Soevereiniteit koppelen aan Digitale Economie is vergelijkbaar met Klimaat koppelen aan Groene Groei. Beide combinaties suggereren dat maatschappelijke uitdagingen vooral moeten bijdragen aan economische vooruitgang.

Ook het coalitieakkoord laat daarover weinig twijfel bestaan. Daar wordt digitale technologie expliciet gepresenteerd als motor van economische groei. De ambitie is helder: productiviteit verhogen, innovatie versnellen, bedrijven laten opschalen en Nederland internationaal concurrerender maken. Dat sluit naadloos aan bij de woorden van de staatssecretaris zelf: Nederland moet koploper worden in de digitale wereld. Op zichzelf is daar niets mis mee. Nederland heeft een sterke digitale infrastructuur, een innovatieve technologiesector en een economie die profiteert van digitalisering. Maar de vraag is wat er gebeurt wanneer economische groei het dominante perspectief wordt. Want digitalisering staat niet op zichzelf. Het is een maatschappelijke ontwikkeling die diep ingrijpt in hoe we werken, leren, communiceren en deelnemen aan de samenleving.

Dient digitalisering de economie of de samenleving als geheel?

Juist daarom is het zorgelijk dat publieke waarden steeds vaker in de schaduw lijken te staan van economische ambities. Digitalisering wordt gepresenteerd als de norm. Dit is geen digitale inclusie, maar digitale integratie. Dat lijkt een subtiel verschil, maar het is wezenlijk. Digitale inclusie betekent dat technologie wordt aangepast aan de diversiteit van mensen en hun mogelijkheden. Digitale integratie betekent dat mensen zich moeten aanpassen aan de digitale werkelijkheid. In dat laatste model is deelname niet langer een keuze, maar een vereiste. Iedereen móét mee.

Die benadering klinkt ook door in de ambitie om AI-adoptie en AI-geletterdheid te versterken. Opvallend is vooral het woord adoptie. Dat gaat niet over het kritisch afwegen waar kunstmatige intelligentie wenselijk is, maar over het stimuleren van gebruik. Alsof meer AI per definitie beter is. Terwijl juist nu behoefte bestaat aan een volwassen debat over de grenzen, risico’s en maatschappelijke gevolgen van deze technologie.

Digitale soevereiniteit gaat niet alleen over controle over infrastructuur, data en strategische afhankelijkheden. Uiteindelijk draait het ook om de vraag in wiens belang die controle wordt uitgeoefend. Staat digitalisering vooral ten dienste van economische groei, of van de samenleving als geheel?

Daarom is mijn oproep aan het kabinet eenvoudig: verlies in alle aandacht voor groei de publieke waarden niet uit het oog. Want uiteindelijk is de kwaliteit van een digitale samenleving niet af te meten aan het aantal gebruikers, startups of AI-toepassingen, maar aan de vraag of iedereen erin mee kan doen op een manier die bij hen past.

Tekst: Rudy van Belkom, directeur van Stichting Toekomstbeeld der Techniek
Foto: Depositphotos